Serendipiteit? Ik heb net het boek “Al het blauw van de hemel” gelezen, waarin een vrouw een man begeleidt die jong-alzheimer heeft en niet zijn laatste dagen wil slijten in een kliniek. Tegelijk lees ik in Trouw over “trouw vergezellen” door zorgmedewerkers, wat inhoudt dat je als metgezel met iemand meereist, ook als de situatie medisch gezien uitzichtloos is. Een zin uit de rede van Andries Baart (Het kunnen uithouden – De kracht van machteloosheid): “Je kunt misschien niet veel en je hebt er bovendien voor gekozen om de interventies die je wel tot je beschikking hebt, achterwege te laten. Daarmee sta je op de positie van de ‘machteloze’ maar precies door daar te staan, leer je ook zien wat er wel zou kunnen en verkieslijk is. Dat is nuttig en brengt je op de positie waar anderen niet zo snel komen”.
Dat is precies wat er gebeurt in het boek. Het is fictie, maar wel heel illustratief. Op het moment dat Joanna hoort dat Emile snel zal overlijden omdat zijn hart en ademhaling het steeds meer laten afweten, komt ze op het idee om met hem te gaan wandelen. Ondanks dat Emile intussen in zijn vroege jeugd leeft en denkt dat Joanne zijn moeder is hebben ze samen nog een paar mooie dagen en Emile overlijdt waar hij dat altijd had willen doen: in de natuur in de bergen. Het hele boek gaat over accepteren wat er gaat gebeuren en dat niet koste wat kost willen vertragen of “behandelen” (wel verlichten als dat mogelijk is). Het gaat over wat de persoon in kwestie het meest goed zou doen.
Wat ook in de rede zit is het niet-weten. Het belang van emergentie, van open staan voor wat zich voordoet zonder dat je weet of je er iets mee zult kunnen. Ook dat deed Joanne in het boek. Joanna reist letterlijk met Emile door de bergen, door de tijd, door de fases van zijn ziekte. Ze weet niet wat haar te wachten staat en er gebeuren dingen die ze niet had voorzien. Soms doet ze dan het verkeerde maar soms pikt ze iets op waar ze iets mee kan of krijgt ze een idee over hoe te handelen zodat het draaglijker wordt voor Emile. In de rede heet dit “waakzame responsiviteit”. Joanna en Emile krijgen bijvoorbeeld het aanbod om in een community te gaan wonen. Joanne grijpt deze kans aan, want nu kunnen er meer mensen op Emile letten, die steeds vaker letterlijk en figuurlijk de weg kwijtraakt.
De rede en het boek gaan over hoop als levensvorm: “Dat vasthouden en verder leven, dat is hoop als levensvorm. Daaruit spreekt een manier van omgaan met de werkelijkheid die niets van doen heeft met de kans op succes of het uitkomen van verwachtingen. De relationaliteit maakt het mogelijk om in moeilijke omstandigheden te overleven, door te gaan – kome wat komt – en ze is dankbaar als het kwaad wijkt en iets van verlichting doorbreekt”. Joanna en Emile gaan samen dóór en zijn dankbaar als er lichtpuntjes zijn.
Machteloosheid en onzekerheid op deze manier omarmen, ik denk dat het ons enorm kan helpen bij het omgaan met ziekte en tegenslag, maar ook bij de maatschappelijke uitdagingen waar we voor staan. Het accepteren van, zelfs kiezen voor wat er is. Weten waar je op een gegeven moment niet meer naar zou moeten of hoeven te streven en daardoor juist weer open staan voor nieuwe perspectieven, mogelijkheden en lichtpuntjes. Bij Futures Literacy spreken we van “open for emergence” en weten wanneer “not doing” net zo waardevol kan zijn als iets doen. En daardoor in staat zijn om met elkaar mee te blijven wandelen, als trouwe metgezellen.




En hoop ik dat de ballen ergens gevangen worden. En ik denk aan de metafoor die Maarten Kok* gebruikt: de onderzoeksresultaten die als een kanonskogel worden afgeschoten en ergens neerkomen waar ze “impact creëren”.

Foto: Tripadvisor
Daarom denk ik dat we niet alleen met leren en werken bezig moeten zijn, maar ook met identiteitsvorming. Identity Work noemt Manon Ruijters het. Zodat studenten zich niet alleen identificeren met een bepaald beroep, en met een set leeruitkomsten of competenties die daarbij hoort, maar ook met wie zij zelf daarbinnen (en daarbuiten) willen en kunnen zijn, wat de rode draden zijn in hun persoonlijkheid als professional. Dan kan er op een diploma, naast een rijtje cijfers als kwalificatie als beginnend beroepsbeoefenaar misschien ook een verhaaltje komen te staan over wie deze nieuwe professional is en hoe hij of zij zich wil laten kennen.
Er is veel geschreven over het idee dat je het beste werk levert als het je ‘vervulling’ geeft, dat het je goed doet, verder brengt, energie geeft, enzovoort. Ken Robinson schreef over ‘in je element zijn’ wat betekent dat je floreert als je doet wat je goed kan, én waar je blij van wordt. Dat hoeft niet altijd samen te vallen, je kunt aardig goed zijn in dingen waar je weinig energie van krijgt. Ik ben bijvoorbeeld gaan werken in de geo-informatiekunde omdat ik in mijn droomvakgebied, natuur- en milieueducatie, geen betaald werk kon vinden. Dat ging best goed, maar ik heb ook ervaren dat je soms zelfs onder je kunnen gaat presteren als je geen energie krijgt van wat je doet. Een collega verwoordde het laatst heel mooi: “Dan val je jezelf en anderen tegen en ga je aan jezelf twijfelen.” Ik merkte dat eigenlijk pas echt achteraf, toen ik ander werk ging doen. Bij het opzetten van de nieuwe opleiding Human Technology kwam ik steeds meer ‘in mijn kracht’, zoals dat in niet zo mooi Nederlands heet, en nu ben ik gepromoveerd in de onderwijskunde en krijg ik veel energie van mijn huidige onderzoek met studenten en docenten. Dat voelt heel goed, ik ben weer in mijn element.
Ergens zit er een stemmetje in mij dat zegt: “dat hoort bij een ‘dikke ik’ (zie Harry Kunneman), is niet wenselijk en niet relevant, het leven hoeft niet altijd leuk te zijn, als het fijn is om te doen dan is dat mooi meegenomen maar het gaat erom dat je je best doet en bijdraagt aan het grotere geheel (of om überhaupt betaald werk te hebben). Als je iedereen alleen zou laten doen wat hen zelf goed doet zou er veel nuttig werk helemaal niet gebeuren.” Over aannames en waarden gesproken.
