Presentatie ter gelegenheid van de jubileumbijeenkomst van de Design Science Research Group, 7-10-2026
“En, weet je al wat je gaat doen?”. Die vraag kreeg ik heel vaak als ik mensen vertelde dat ik met pensioen zou gaan. Eigenlijk een rare vraag, waar een aantal aannames in zitten. Want je moet blijkbaar iets gaan doen; als je niet werkt doe je blijkbaar niks meer en moet je dus iets anders verzinnen. Verder moet je ook weten wat dat dan is, liefst voordat je daadwerkelijk met pensioen gaat.
Ik had helemaal nog geen idee wat ik zou gaan “doen”, ik zei dan maar zoiets als “om te beginnen het huis opruimen en meer muziek maken”. Ik vond eigenlijk ook dat ik het helemaal nog niet hoefde te weten, maar het maakte me toch een beetje onrustig, er werd blijkbaar wel iets van me verwacht.
En toen was het zover: pensioen. Bijna op hetzelfde moment kwam het boek “How to live a meaningful life[1]” uit, van Bill Burnett en Dave Evans. Beiden zijn experts in Design Thinking bij de Stanford University en auteurs van het eerder verschenen boek Designing your life[2] dat ik al kende. De ondertitel van het nieuwe boek is (hou je vast): “Using design thinking to unlock purpose, joy and flow every day”. Tja, wie wil dat nou niet!


Het boek begint met verhalen over mensen die wel al hun (werkende) leven hadden herontworpen, op basis van het eerste boek, maar toch een beetje vast liepen. Het was het toch niet helemaal. Mijn eerste reactie toen ik het las was: ja, ja, luxeprobleem. Je kunt niet alles hebben of, zoals mijn moeder zou zeggen: er zijn ergere dingen in de wereld. Maar Burnett en Evans leken mijn gedachten te lezen. Hun reactie: Inderdaad, er zijn grote problemen in de wereld en die willen we niet bagatelliseren. Maar als je in staat bent om keuzes te maken en acties te ondernemen die je als betekenisvol en goed ervaart is er meer hoop dat de wereld beter wordt dan als je de moed maar opgeeft. Dat sprak me aan, ik las verder. Ik pakte er nog eens Koen van Turnhout’s hoofdstuk bij over denken als een ontwerper[3]. En dit is wat ik ontdekte over het (her)ontwerpen van je eigen leven.
Mijn eerste vraag was: wat ontwerp je eigenlijk? Je bent geen ding aan het ontwerpen of een probleem aan het oplossen. Volgens de auteurs ontwerp je wat je kunt doen in het hier en nu dat de moeite waard is en waarbij je zo (veel) mogelijk flow ervaart. Ik zie de relatie met Good Work[4]: werk dat kwalitatief goed is, goed doet en goed voelt. Dat geldt wat mij betreft niet alleen voor betaalde activiteiten.
Burnett en Evans zetten hier drie belangrijke kanttekeningen bij: ten eerste is er geen ‘real you’ of ‘ultimate you’ die je moet vinden of bereiken in je leven, je bent en kunt veel meer dan je in je hele leven zult gebruiken of tegenkomen. Ten tweede kun je het leven niet als geheel ontwerpen, je kunt alleen dingen die je nu, vanuit de situatie waarin je nu zit, (her)waarderen en wellicht veranderen. En ten derde is het niet de bedoeling om alsmaar méér in je leven te proppen, maar juist om er meer uit te halen (letterlijk en figuurlijk).
Maar hoe doe je dat dan, je leven ontwerpen? Koen van Turnhout zegt:
- Onwerpen is een propositionele activiteit. Je werkt met ideeën, je doet voorstellen, in de vorm van prototypes, in iteraties.
- Dat doe je in interactie met het materiaal en door nieuwsgierig te zijn, aannames te onderzoeken en te reframen, en door verbeeldingskracht.
- Je toetst de protoypes op werkbaarheid en wenselijkheid op basis van theorie, praktijkervaringen en esthetische overwegingen.
Hoe ziet dat er dan uit bij “het ontwerpen van je leven”?
Je werkt niet toe naar het perfecte ontwerp. Het is nooit af, het kan altijd anders, het prototypen is eigenlijk nooit klaar. Je kunt de prototypes wel toetsen, door te kijken of iets voor je werkt, of het bij je past. Je kunt je ook laten inspireren door regels of waarden waar je naar wilt leven. Voor mij zijn dat bijvoorbeeld de leefregels van de Benedictijnen[5], die elke dag expliciet en consequent tijd maken voor werk, studie, ontspanning en ‘het huishouden’ (heel kort door de bocht gezegd).
Ook ervaring in de praktijk en de esthetische beleving zijn belangrijke informatiebronnen. Zo ging ik, als muzikaal prototype, een tijdje geleden naar een repetitie van een orkest in mijn dorp om kennis te maken. Ze zochten nog violisten en het was lekker dichtbij. Het niveau was niet hoog en het was heel gezellig was me verteld. En inderdaad: het was héél gezellig én de muziek klonk niet echt mooi. Het was esthetisch niet waar ik naar op zoek was. Ik voelde me een beetje ongemakkelijk, want het waren hele leuke mensen en ze wilden mij er graag bij hebben, maar ik heb toch bedankt.
De interactie met het materiaal is een ingewikkelde. Het materiaal ben je deels zelf. En je verandert steeds, net als je context. Tegelijk ben je ook de ontwerper. Aan de ene kant kun je kijken naar je leven tot nu toe, van alles analyseren, zoals je talenten, en kun je daar geschikte activiteiten bij zoeken. Aan de andere kant kun je open staan voor nieuwe ervaringen, voor het onverwachte, en je verbeeldingskracht laten werken om ook hele nieuwe mogelijkheden te zien (in termen van Futures Literacy[6]: open anticipation). Dan kan er iets heel nieuws ontstaan, of iets kan een nieuwe wending krijgen (zoals Bart van Rosmalen[7] dat noemt): je neemt een andere afslag dan voorheen, je gaat dingen net even iets anders insteken of doen.
Het voorgaande overdenkend zijn er volgens mij drie manieren van veranderen en dus van ontwerpen van je leven: herwaarderen, vernieuwen en loslaten.
- Herwaarderen kun je zien als het evalueren en aanpassen van wat er is. Je kijkt vanuit een nieuw perspectief. Je probeert bijvoorbeeld meer flow of plezier te ervaren door activiteiten intensiever te beleven, of door ze langzamer te doen (krant lezen, ontbijten) of je kunt méér van iets gaan doen (opruimen, familie en vrienden bezoeken) of juist minder. Of, zoals in mijn geval, je breekt je enkel als je net een paar maanden met pensioen bent: een masterclass in vertragen!
- Vernieuwen: zoeken naar of openstaan voor iets heel nieuws of naar nieuwe wendingen. Voor mij is dat bijvoorbeeld een nieuwe, onverwachte samenwerking met een gitarist met wie ik jazz liedjes afwisselend speel én zing. Een vriendin ontdekte iets heel nieuws toen haar moeder in een verzorgingshuis terecht kwam: ze vond het fijn om met ouderen te werken en doet er nu vrijwilligerswerk.
- Loslaten. Het pensioen dwong me om het betaalde werk los te laten. Daardoor ontstaat ruimte, tijd. Maar het is denk ik sowieso goed om niet steeds méér in je leven te proppen maar er juist meer uit te halen. Zo doe ik al jaren mee met kamermuziekdagen voor redelijk ver gevorderde amateurs. Maar ik merk dat ik er eigenlijk geen plezier meer in heb om eerst de veeleisende muziek thuis in te studeren en die dan net niet echt mooi met elkaar te kunnen spelen omdat het te hoog gegrepen is. Laat ik dit los? Ik weet het nog niet. Klassieke muziek is wel een onderdeel van mijn identiteit. En soms klinkt het wél heel mooi 😊. Maar het neemt ook tijd die ik anders in andere muzikale prototypes zou kunnen steken. Ik heb me daarom niet opgegeven voor de komende periode.
Dit klinkt allemaal heel gestructureerd, maar ontwerpen van je leven zal altijd chaotisch zijn. Je prototypes werken niet, je neemt toch een verkeerde afslag, je denkt iets losgelaten te hebben en dan blijft het je toch achtervolgen. Of er gebeurt iets waardoor je een tijdlang niet veel keuzes hebt. Toch neem ik de volgende lessen van Burnett en Evans mee omdat ik ze heel bevrijdend vind.
- De eerste gaat over wat je niet kunt ontwerpen, namelijk je hele leven. Het gaat om onderdelen, aspecten, dingen die je nu kunt veranderen.
- Verder gaat het niet om het vinden van ‘je ware zelf’ of om ‘totale vervulling’ of ‘zelfactualisatie’ te bereiken, maar om meer plezier en voldoening te ervaren in het dagelijks leven.
- En tenslotte: het prototypen hoeft niet meteen te lukken en het is nooit af. Het ontwerpen van je leven is volgens Burnett en Evans een ‘infinite game’, we spelen om te kunnen blijven spelen, niet om te winnen.
Toegegeven, het is makkelijker om nieuwe dingen te proberen als je gezond bent en niet meer hoeft te werken voor geld. Maar je kunt altijd herwaarderen wat er is, kleine vernieuwingen prototypen, en onderzoeken wat je los kunt laten. Denk als een ontwerper en wees open voor het onverwachte!
[1] Burnett, W. & Evans, D.J. (2026). How to live a meaningful life. Using design thinking to unlock purpose, joy and flow every day. Simon Element.
[2] Burnett, W. & Evans, D.J. (2016). Designing your life. How to build a well-lived, joyful life. A.A. Knopf.
[3] Turnhout, K. van (2023). Denken als een ontwerper. In: Turnhout, K. van, Andriessen, D. & Cremers, P. (Eds), Handboek voor Ontwerpgericht Wetenschappelijk Onderzoek. Ontwerpend onderzoeken in Sociale Contexten. Pp. 53-66. Boom.
[4] Gardner, H. Csikzentmyhalyi M., & Damon, W. (2001). Good Work. When excellence and ethics meet. Basic Books.
[5] Derkse, W. (2021). Een levensregel voor beginners. Benedictijnse spiritualiteit voor het dagelijks leven. Lannoo.
[6] Miller, R., Ed. (2018). Transforming the future: Anticipation in the 21st century. Routledge.
[7] Van Rosmalen, B. (2024). Stappen in het onbekende. Handboek Muzisch Werk. HKU Press.





En hoop ik dat de ballen ergens gevangen worden. En ik denk aan de metafoor die Maarten Kok* gebruikt: de onderzoeksresultaten die als een kanonskogel worden afgeschoten en ergens neerkomen waar ze “impact creëren”.

Foto: Tripadvisor
Daarom denk ik dat we niet alleen met leren en werken bezig moeten zijn, maar ook met identiteitsvorming. Identity Work noemt Manon Ruijters het. Zodat studenten zich niet alleen identificeren met een bepaald beroep, en met een set leeruitkomsten of competenties die daarbij hoort, maar ook met wie zij zelf daarbinnen (en daarbuiten) willen en kunnen zijn, wat de rode draden zijn in hun persoonlijkheid als professional. Dan kan er op een diploma, naast een rijtje cijfers als kwalificatie als beginnend beroepsbeoefenaar misschien ook een verhaaltje komen te staan over wie deze nieuwe professional is en hoe hij of zij zich wil laten kennen.
Er is veel geschreven over het idee dat je het beste werk levert als het je ‘vervulling’ geeft, dat het je goed doet, verder brengt, energie geeft, enzovoort. Ken Robinson schreef over ‘in je element zijn’ wat betekent dat je floreert als je doet wat je goed kan, én waar je blij van wordt. Dat hoeft niet altijd samen te vallen, je kunt aardig goed zijn in dingen waar je weinig energie van krijgt. Ik ben bijvoorbeeld gaan werken in de geo-informatiekunde omdat ik in mijn droomvakgebied, natuur- en milieueducatie, geen betaald werk kon vinden. Dat ging best goed, maar ik heb ook ervaren dat je soms zelfs onder je kunnen gaat presteren als je geen energie krijgt van wat je doet. Een collega verwoordde het laatst heel mooi: “Dan val je jezelf en anderen tegen en ga je aan jezelf twijfelen.” Ik merkte dat eigenlijk pas echt achteraf, toen ik ander werk ging doen. Bij het opzetten van de nieuwe opleiding Human Technology kwam ik steeds meer ‘in mijn kracht’, zoals dat in niet zo mooi Nederlands heet, en nu ben ik gepromoveerd in de onderwijskunde en krijg ik veel energie van mijn huidige onderzoek met studenten en docenten. Dat voelt heel goed, ik ben weer in mijn element.
Ergens zit er een stemmetje in mij dat zegt: “dat hoort bij een ‘dikke ik’ (zie Harry Kunneman), is niet wenselijk en niet relevant, het leven hoeft niet altijd leuk te zijn, als het fijn is om te doen dan is dat mooi meegenomen maar het gaat erom dat je je best doet en bijdraagt aan het grotere geheel (of om überhaupt betaald werk te hebben). Als je iedereen alleen zou laten doen wat hen zelf goed doet zou er veel nuttig werk helemaal niet gebeuren.” Over aannames en waarden gesproken.