Trouw vergezellen

Serendipiteit? Ik heb net het boek “Al het blauw van de hemel” gelezen, waarin een vrouw een man begeleidt die jong-alzheimer heeft en niet zijn laatste dagen wil slijten in een kliniek. Tegelijk lees ik in Trouw over “trouw vergezellen” door zorgmedewerkers, wat inhoudt dat je als metgezel met iemand meereist, ook als de situatie medisch gezien uitzichtloos is. Een zin uit de rede van Andries Baart (Het kunnen uithouden – De kracht van machteloosheid): “Je kunt misschien niet veel en je hebt er bovendien voor gekozen om de interventies die je wel tot je beschikking hebt, achterwege te laten. Daarmee sta je op de positie van de ‘machteloze’ maar precies door daar te staan, leer je ook zien wat er wel zou kunnen en verkieslijk is. Dat is nuttig en brengt je op de positie waar anderen niet zo snel komen”.

NL.Freepic.com/vrije-photo

Dat is precies wat er gebeurt in het boek.  Het is fictie, maar wel heel illustratief. Op het moment dat Joanna hoort dat Emile snel zal overlijden omdat zijn hart en ademhaling het steeds meer laten afweten, komt ze op het idee om met hem te gaan wandelen. Ondanks dat Emile intussen in zijn vroege jeugd leeft en denkt dat Joanne zijn moeder is hebben ze samen nog een paar mooie dagen en Emile overlijdt waar hij dat altijd had willen doen: in de natuur in de bergen. Het hele boek gaat over accepteren wat er gaat gebeuren en dat niet koste wat kost willen vertragen of “behandelen” (wel verlichten als dat mogelijk is). Het gaat over wat de persoon in kwestie het meest goed zou doen.

Wat ook in de rede zit is het niet-weten. Het belang van emergentie, van open staan voor wat zich voordoet zonder dat je weet of je er iets mee zult kunnen. Ook dat deed Joanne in het boek. Joanna reist letterlijk met Emile door de bergen, door de tijd, door de fases van zijn ziekte. Ze weet niet wat haar te wachten staat en er gebeuren dingen die ze niet had voorzien. Soms doet ze dan het verkeerde maar soms pikt ze iets op waar ze iets mee kan of krijgt ze een idee over hoe te handelen zodat het draaglijker wordt voor Emile. In de rede heet dit “waakzame responsiviteit”. Joanna en Emile krijgen bijvoorbeeld het aanbod om in een community te gaan wonen. Joanne grijpt deze kans aan, want nu kunnen er meer mensen op Emile letten, die steeds vaker letterlijk en figuurlijk de weg kwijtraakt.

De rede en het boek gaan over hoop als levensvorm: “Dat vasthouden en verder leven, dat is hoop als levensvorm. Daaruit spreekt een manier van omgaan met de werkelijkheid die niets van doen heeft met de kans op succes of het uitkomen van verwachtingen. De relationaliteit maakt het mogelijk om in moeilijke omstandigheden te overleven, door te gaan – kome wat komt – en ze is dankbaar als het kwaad wijkt en iets van verlichting doorbreekt”. Joanna en Emile gaan samen dóór en zijn dankbaar als er lichtpuntjes zijn.

Machteloosheid en onzekerheid op deze manier omarmen, ik denk dat het ons enorm kan helpen bij het omgaan met ziekte en tegenslag, maar ook bij de maatschappelijke uitdagingen waar we voor staan. Het accepteren van, zelfs kiezen voor wat er is. Weten waar je op een gegeven moment niet meer naar zou moeten of hoeven te streven en daardoor juist weer open staan voor nieuwe perspectieven, mogelijkheden en lichtpuntjes. Bij Futures Literacy spreken we van “open for emergence” en weten wanneer “not doing” net zo waardevol kan zijn als iets doen. En daardoor in staat zijn om met elkaar mee te blijven wandelen, als trouwe metgezellen.

Mijn schrijfwandeling

Ik heb nog nooit met zo veel aandacht gewandeld. En toch ook weer wel, want ik ben in de lockdown, toen ik thuis moest werken, begonnen met korte wandelingetjes aan het begin van elke werkdag. Omdat ik in die tijd niet naar mijn ouders kon ben ik foto’s gaan maken van kleine dingetjes die ik onderweg zag in de natuur, vaak closeups, die ik dan naar mijn vader appte. De natuur trok zich van de pandemie niets aan.

Deze wandeling met schrijfcoach Annelies begon bij het station in Amersfoort. De zon scheen en de lucht was fris, een heerlijke nazomerdag. Ik wilde leren om op andere manieren te schrijven dan doelgericht en logisch, zoals ik gewend ben in mijn werk als onderzoeker. Ik denk daarmee ook andere bronnen aan te boren dan alleen het bewuste denken of redeneren. Daarom ben ik heel benieuwd wat we gaan doen en ik vind het ook wel spannend: misschien ben ik wel helemaal niet creatief en kan ik helemaal niet open staan voor onverwachte gevoelens en gedachten, zit ik al veel te lang opgesloten in mijn hoofd.

De opdracht is simpel: we gaan in stilte wandelen. Af en toe staan we stil en dan schrijf ik wat er in me opkomt. Of misschien was er ook nog de tip om alle zintuigen open te zetten. Maar zo eenvoudig als de opdracht klinkt is het niet om hem uit te voeren. In mijn hoofd in elk geval niet. Mijn aannames beginnen te werken. Dit gaat er allemaal rond in mijn hoofd: “Dit moet ik nu zo goed mogelijk doen. Ik moet voelen, o ja, ik voel de wind op mijn armen. Ik moet ook luisteren, ja, ik hoor en voel de eikels knerpen onder mijn voeten. Welke zintuigen zijn er nog meer? O ja, kijken, ik zie de bomen, de blauwe lucht, ik kijk naar huizen, daken, auto’s, lees de opschriften op busjes en probeer alles te onthouden, want ik moet immers zo meteen iets schrijven. En dat moet natuurlijk ergens over gaan. En ruiken, dat moet ook nog, ik ruik een hooigeur. Grappig hoe die samengaat met de paddenstoelen die ik hier en daar al zie, zomer en herfst door elkaar”.

We staan stil, ik schrijf iets over een ginkgoboom en een rode beuk en dat het een paradox is als je zegt dat je ergens open voor moet staan. We lopen door, en staan stil bij een kruispunt. Daar staan mensen in de berm met een camera op een statief met schijnbaar niks bijzonders dat in beeld van de camera staat. Gek genoeg schrijf ik daar niets over. Het woord Centrum op een wegwijzer pakt me op de een of andere manier en ik schrijf op dat ik ook meer naar mijn eigen centrum wil, dat ik wil schrijven vanuit mijn hart en dat het misschien niet altijd zinnig hoeft te zijn. Ik schrijf op: “Mag het ook een keer lekker onzinnig zijn?”.

Dat is een beetje een keerpunt, ik begin er lol in te krijgen. Helemaal als we stoppen bij een mini-bibliotheekje en een kapotte leunstoel in de middenberm. Die twee bij elkaar op de openbare weg zijn een fijne verrassing, een associatie met heerlijk zitten lezen. Zomaar een boek te mogen pakken of ruilen. Stel dat je hier woont en je gaat elke dag even kijken wat er nu weer in het boekenkastje zit. Er komt een jeugdherinnering boven van een automaat op een camping in Italië, waar kleine doosjes met Disney-poppetjes in zaten die je met 100 lire eruit kon halen. Als je een bepaald poppetje wilde hebben, moest je wachten tot het onderaan zat, én erbij zijn voordat een ander het eruit had gehaald. Het was een spel om elke dag even te gaan kijken of je het geluk had dat het goede poppetje onderaan zat en dat jij dan degene was die het eruit kon halen.

Ik denk dat dat de essentie is van wat ik op deze wandeling heb geleerd: ik wil schrijven (en ook werken) meer zien als een spel. Meer alle indrukken laten komen, er vaker even bij stil staan. Wat er dan allemaal boven komt kan dan zomaar ineens het poppetje zijn waar je op zat te wachten.

Een piepklein radertje

Sinds het uitbreken van de ‘coronacrisis’ vraag ik mij af wat ik eigenlijk toevoeg, op mijn werk, in de maatschappij. Mijn broer werkt als huisarts in de frontlinie, docenten doen hun uiterste best om voor de studenten het onderwijs zo goed mogelijk door te laten lopen, collega-adviseurs van informatisering helpen ons allemaal om online ons werk te kunnen blijven doen. En wat doe ik dan, als onderzoeker, als burger, als vriendin, als dochter?

Ik kan beter niet bij mijn ouders op bezoek gaan, ze horen tot de risicogroep, ze zijn 87 jaar en mijn moeder is herstellende van een longontsteking (geen corona). Ik ben onderzoeker, ik probeer samen met collega’s die workshops en onderwijs geven te onderbouwen wat we doen. Ons ‘vakgebied’, Futures Literacy (toekomstgeletterdheid), een vaardigheid om creatief en veerkrachtig om te kunnen gaan met complexiteit en met het onverwachte, is in één klap meer urgent en nodig dan ooit.

Ik voel me maar een piepklein radertje in het geheel. Doe ik wel genoeg? Doe ik de goede dingen? Wat is de waarde van onderzoek in deze tijd? Ik gebruik mijn tijd om mijn collega’s te helpen onze vragen duidelijker te krijgen, te bedenken hoe we gaan uitzoeken hoe onze workshops werken, wat het met de mensen doet die ze volgen. En mijn collega’s zijn er blij mee. Ze komen er zelf niet aan toe, maar ze vinden het fijn om hun belangrijke werk beter te kunnen verwoorden, te onderbouwen en te kunnen verbeteren. Ze vinden het fijn als ik bij hun nieuwe online-workshop volgende week meekijk en meeschrijf, zodat we er later beter op kunnen reflecteren.

Ik bel mijn ouders elke dag, af en toe via de video van Whatsapp om elkaar ook weer even aan te kunnen kijken (wat ben ik nu blij dat mijn vader zo veel moeite heeft gedaan om zich de smartphone eigen te maken!). Ik bel familie, vrienden, buren en collega’s om in verbinding te blijven met elkaar.

Dat is wat ik nu doe, doorwerken aan mijn onderzoek en in contact blijven met mensen die me dierbaar zijn. Het doet me denken aan het Bach-333 project, waarbij ik een van de 333 strijkers was die een deel van het 3e Brandenburgs concert speelden. Daar was ik ook een piepklein radertje. Zonder mij had het ook wel geklonken. Maar alle kleine radertjes samen zorgden dat het geheel indrukwekkend werd. Daar hou ik me nu maar aan vast.

bach333

Valoriseren, impact creëren … of faciliteren van leren?

 

Als onderzoeker van innovaties in het onderwijs krijg ik vaak de vraag: “hoe krijgen we jouw nieuwe kennis de hogeschool in?”. En het is vast niet zo bedoeld, maar dan zie ik mezelf met een tennisracket pakketjes kennis zo ver mogelijk de hogeschool in slaan, zoals tennissers soms ballen het publiek in slaan als ze gewonnen hebben. tennisbal vangenEn hoop ik dat de ballen ergens gevangen worden. En ik denk aan de metafoor die Maarten Kok* gebruikt: de onderzoeksresultaten die als een kanonskogel worden afgeschoten en ergens neerkomen waar ze “impact creëren”.

kanon afschieten

Maar voor het delen of verspreiden (het ligt er maar aan welke metafoor je gebruikt) van kennis uit mijn onderzoek werkt het zo niet. Niet bij onderzoek dat gericht is op het handelen door mensen in een sociale context, zoals actieonderzoek en ontwerpgericht onderzoek. Sociale contexten, zoals bijvoorbeeld het onderwijs, zijn per definitie complex en dus niet volledig te voorspellen of te controleren. En er zijn dus ook geen interventies, procedures of werkwijzes te bedenken die overal precies zo zullen werken. Een leeromgeving die in de ene context goed functioneert kan in een andere helemaal niet voldoen.

Hoe kan ik dan toch zorgen dat anderen iets kunnen hebben aan mijn onderzoeksresultaten? In het rapport Meer waarde met hbo staan wel veertien verschillende benamingen die verband houden met het begrip kennisvalorisatie. De kern ervan is waardecreatie door middel van kennis. Maar welke waarde en voor wie? Het onderzoek moet in elk geval iets opleveren voor degenen die direct betrokken zijn bij het onderzoek, zoals een nieuwe werkwijze, nieuwe procedures, nieuwe onderwijsvormen. Dat lukt over het algemeen wel.

Maar hoe kan de opgedane kennis ook waarde hebben voor anderen, buiten de directe onderzoekscontext, als de directe resultaten niet generaliseerbaar zijn naar andere contexten? Ontwerponderzoekers lossen dit op door ontwerpkennis te ontwikkelen: ontwerprichtlijnen of ontwerpprincipes die onderbouwen waarom een oplossing in een bepaald soort context werkt, dus de rationale achter de nieuwe werkwijze of interventie. Actieonderzoekers spreken meestal niet van een ontwerp of ontwerpprincipes maar beschrijven de oplossing of interventie, de theoretische achtergrond en de context waarin de oplossing werkt. Bij beide soorten onderzoek is de nieuwe kennis niet generaliseerbaar, maar wel transfereerbaar, wat betekent dat professionals in soortgelijke contexten eruit af kunnen leiden of en hoe het in hun eigen praktijk zou kunnen werken. Maar is dat wel zo?

Het idee is dat professionals in de praktijk, bijvoorbeeld docenten, wetenschappelijke publicaties lezen en de resultaten dan kunnen toepassen. Deze redenering gaat op meerdere punten mank. Ten eerste is een wetenschappelijke publicatie geschreven voor wetenschappers, met veel aandacht voor de methode en de theorie en minder voor uitgebreide contextbeschrijvingen. Ten tweede is zo’n publicatie ongericht, als een schot hagel, professionals moeten er zelf naar zoeken. Daar hebben ze vaak de tijd en de middelen niet voor. Ten derde is er voor het bruikbaar maken van onderzoeksresultaten meer nodig dan een beschrijving van ontwerpprincipes, interventies en de context(en) waarin ze bleken te werken.

Daarom maken praktijkgerichte onderzoekers naast wetenschappelijke publicaties ook andere producten zoals handleidingen, methodieken, good practices, etc. Uit eigen ervaring weet ik dat docenten blij waren met een handleiding die ik op basis van mijn onderzoek had gemaakt over ontwerpprincipes voor hybride leeromgevingen. Maar wat vooral goed werkte waren workshops waarin ik de ontwerpprincipes verder toelichtte, voorbeelden gaf van manieren waarop ze in verschillende contexten vorm kunnen krijgen, en hen met elkaar in gesprek liet gaan over leeromgevingen aan de hand van zelfgemaakte ‘prototypes’, gemaakt van knutselspullen. Ik had de rol van  facilitator, of ‘broker’, die blijkbaar nodig was om een brug te slaan tussen de wetenschappelijke kennis en de praktijk.

Maar dat weten we eigenlijk toch al lang? Het hoger onderwijs doet niks anders dan mensen faciliteren, helpen bij het ‘creëren van waarde’ uit kennis, dus bij het leren. En ja, we reiken teksten en theorieën aan, maar we zijn vooral bezig de studenten te helpen om zelf te werken en ook te spelen met kennis, zodat ze zich die eigen kunnen maken, kunnen gebruiken en zelf weer nieuwe kennis kunnen gaan creëren. Het onderwijs is al heel lang geleden afgestapt van het idee dat je kennis als een pakketje kunt ‘overdragen’. Is het niet eens tijd om dat in de wetenschap ook te gaan doen?

 

 

Foto tennisbal: AD

Foto kanon:  Voorneputtentips.nl

*”Research does not function as a cannon that shoots knowledge into the world of action, where the targeting and force of the knowledge determines its ‘impact’.” In: Kok, M.O. and A.J.  Schuit, 2012.  Research Policy and Systems, 10:21. Contribution mapping: a method for mapping the contribution of research to enhance its impact Health.

 

Hbo-onderzoek, een onzinnige term (?)

Een jaar geleden was ik er nog fel op tegen als iemand het had over ‘hbo-onderzoek’. Ik vond die term een beetje onzinnig omdat er mijns inziens geen onderscheid moet of kan worden gemaakt tussen hbo- of universitair onderzoek. Op het hbo doen we wetenschappelijk onderzoek, net als op de universiteit. Het enige wat ons als hbo onderscheidt is dat we ons beperken tot, of misschien beter, toeleggen op praktijkgericht onderzoek, onderzoek met een onderzoeksvraag uit de praktijk en waarvan de resultaten bruikbaar (kunnen) zijn voor die praktijk. Universiteiten doen fundamenteel onderzoek én praktijkgericht onderzoek.

Maar nu begin ik te twijfelen, misschien is hbo-onderzoek toch wel een bruikbare term. Dat komt door twee dingen. Het eerste is dat ik met een vijftal collega’s van andere hogescholen en de VU een leergang ‘Action Research (ActieOnderzoek, AO) meets Design Research (Ontwerpgericht Onderzoek, OO)’ aan het ontwikkelen ben. Het tweede is een opmerking van een collega-onderzoeker van de Wageningen Universiteit, waar ik mijn promotieonderzoek heb gedaan.

Eerst de leergang AO-OO, zoals we hem in de wandelgangen noemen. We zijn met 3 actieonderzoekers en 3 ontwerponderzoekers aan de slag gegaan. We zijn gaan ‘boundary crossen’: we hebben ontdekt wat er eigen is aan AO en wat aan OO, wat er gemeenschappelijk aan is en wat ze van elkaar kunnen leren. De gemene deler blijkt (onder andere) het ‘derde proces’ te zijn. Elk praktijkgericht onderzoek heeft te maken met twee ‘stromen’ of processen: de theorie- of kennisstroom en de praktijkstroom (zie bijv. Andriessen 2011 in Handboek ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek, Hoofdstuk 5). Maar wat telkens weer terugkomt is het belang van het verbinden van de kennis- naar de praktijkstroom en vice versa. Dat verbinden en afstemmen is heel belangrijk, en zou daarom gezien moeten worden als een apart proces, de concept-stroom. Het ontwerpen in ontwerpgericht onderzoek zit daar bijvoorbeeld, het bedenken van interventies of manieren van observeren in actieonderzoek zit daar ook, steeds is er het zoeken naar de match tussen theorie en de context van de praktijk.

Ook het bepalen van methoden van dataverzamelen en analyseren zit in de concept-stroom. Daan Andriessen zei onlangs bij de boekpresentatie van Arthur Bakker (“Design Research in Education”) dat hij altijd had gedacht dat de methode logisch moet volgen uit de onderzoeksvraag, maar dat bij praktijkgericht onderzoek de methode ook erg afhangt van de mensen met wie wordt samengewerkt in de praktijk, en de context waarin zij werken. Dat is nogal een uitspraak in wetenschapsland, en veel wetenschappers zullen het er misschien niet mee eens zijn. Het punt dat ik hier wil maken is dat de manier waarop je grondig en relevant praktijkgericht onderzoek doet, nog volop in ontwikkeling is, en dat het hbo daar een prominente rol in kan en wat mij betreft ook moet spelen.

Ten tweede zette de genoemde Wageningse collega-onderzoeker me verder aan het denken. Hij zei iets in de trant van: “Het is zo jammer dat je, om te kunnen publiceren de wetenschappelijke journals altijd één specifieke aanpak moet kiezen, óf actieonderzoek, óf ontwerpgericht onderzoek, óf een andere min of meer geaccepteerde vorm van onderzoek.” Dus als je bij praktijkgericht onderzoek verschillende aanpakken gaat combineren (bijv. uit AO en uit OO) is het waarschijnlijk (nu nog?) minder goed te publiceren in wetenschappelijke journals. Dat is voor de universiteiten, die afgerekend worden op aantallen wetenschappelijke publicaties, heel vervelend. Voor het hbo is het iets minder erg, omdat het praktijkgericht onderzoek ook wordt afgerekend op relevantie voor en doorwerking in de praktijk.

Het gaat nog verder. Om goed publiceerbaar te zijn in wetenschappelijke journals, moet je onderzoek liefst meerdere casussen omvatten, generaliseerbaar en herhaalbaar zijn en in gecontroleerde omstandigheden zijn uitgevoerd (in de ‘high ground’ van Schön, zie kader). En dat zijn nou net allemaal dingen die niet passen en niet wenselijk of zinnig zijn bij praktijkgericht onderzoek. Dat is vaak handelingsonderzoek, waarbij het juist vaak gaat om één casus, één context. Je wilt als onderzoeker de resultaten wel transfereerbaar maken, maar letterlijk herhaalbaar en generaliseerbaar zijn ze zelden. schon rigor relevance

Ook de omstandigheden zijn vaak ‘messy’, er is veel ruis, relaties en macht spelen een rol, de context verandert terwijl (of juist doordat) je er onderzoek doet (‘the swamp’ van Schön).

Toch zullen de journals er niet omheen kunnen ook praktijkgericht onderzoek te publiceren. Tegelijk is er nog veel werk te verzetten om dit onderzoek naast praktisch relevant ook methodisch grondiger (en dus ook ethisch verantwoord) te maken. Het ‘boundary crossen’ tussen actieonderzoek en ontwerpgericht onderzoek helpt daarbij én maakt duidelijk dat er nog veel meer inspirerende mogelijkheden zijn. Een mooie uitdaging voor het hbo om die te ontdekken. Maar of dat nou die term hbo-onderzoek rechtvaardigt? Ik denk het eigenlijk nog steeds niet.

olifanten in moerasFoto: Tripadvisor

Leren, werken en … zijn!

Vanaf 2006 tot 2018 heb ik me bezig gehouden met de vraag hoe je leren en werken kunt integreren, zodat studenten goede professionals kunnen worden, die hun kennis kunnen toepassen in de praktijk. Ik onderzocht hybride leeromgevingen op de grens tussen onderwijs en beroepspraktijk die we innovatiewerkplaatsen, labs, of ateliers noemen.

Nu, eind 2018, begin 2019, doe ik onderzoek naar professionele identiteit en hoe studenten die kunnen ontwikkelen. Ik neem ook deel aan een Research Practice Partnership over ‘good work’, dat onder andere gaat over de eigenzinnige professional. Ik ben me ervan bewust geworden dat je naast ‘weten’ en ‘doen’ ook nog ‘zijn’ hebt. Je kunt dingen geleerd hebben, een beroep uitoefenen, maar wie ben jij in relatie tot die capaciteiten en dat werk, wat is jouw eigen kleur, wat kenmerkt jou als professional? Hoe kun je eigenzinnig zijn, ofwel ‘eigen’ én ‘zinnig’?

We willen dat studenten uitgroeien tot professionals die veerkrachtig zijn, zelfsturend, innovatief, ondernemend, enzovoort. Wat we vooral willen is dat ze zich staande kunnen houden in de snel veranderende wereld en daarin ook van waarde kunnen zijn, zie ook de slogan van de Hanzehogeschool ‘Share your talent, move the world’. Daarvoor is het nodig dat afgestudeerden zichzelf goed kennen, een idee hebben van wat hun specifieke talenten of eigenschappen zijn, in welke contexten ze goed gedijen, en daarin eigenzinnig kunnen zijn.

In hbo-opleidingen leggen we de nadruk op een zorgvuldig gedefinieerd beroep, en hebben we standaarden vastgesteld voor wat alle studenten in een bepaalde opleiding moeten weten en kunnen. Op het diploma komen de namen van de vakken die zijn gevolgd of de competenties die zijn behaald met daarbij het behaalde cijfer. Dat is een garantie voor het behaalde niveau. Dat is natuurlijk nuttig, maar voor de eigenheid en talenten van de studenten is daarin weinig ruimte. Dat doet me denken aan een mooi gedicht over het curriculum vitae door Wislawa Szymborska, waarin ze beschrijft wat we niet zien aan een cv (zie kader).

het cv2Daarom denk ik dat we niet alleen met leren en werken bezig moeten zijn, maar ook met identiteitsvorming. Identity Work noemt Manon Ruijters het. Zodat studenten zich niet alleen identificeren met een bepaald beroep, en met een set leeruitkomsten of competenties die daarbij hoort, maar ook met wie zij zelf daarbinnen (en daarbuiten) willen en kunnen zijn, wat de rode draden zijn in hun persoonlijkheid als professional. Dan kan er op een diploma, naast een rijtje cijfers als kwalificatie als beginnend beroepsbeoefenaar misschien ook een verhaaltje komen te staan over wie deze nieuwe professional is en hoe hij of zij zich wil laten kennen.

 

‘Good work’ en het ‘dikke ik’

In een gesprek met collega’s ging het laatst over zelf-vervulling (self fulfillment) in het werk. En hoe belangrijk dat is om ‘goed werk’ te leveren en om eigenaarschap te voelen. De term ‘goed werk’ is geïnspireerd op het boek Good Work, when excellence and ethics meet, van Gardner, Csikszentmihalyi en Damon. Zij komen tot de conclusie dat de meeste professionals streven naar ‘goed werk’: werk dat goed is (excellent), goed doet (ethisch verantwoord) en goed voelt (energie geeft). In haar boek ‘De queeste naar goed werk’ onderzoekt Manon Ruijters wat goed werk betekent voor professionals en hoe je een lerende organisatie vorm kunt geven.

good workEr is veel geschreven over het idee dat je het beste werk levert als het je ‘vervulling’ geeft, dat het je goed doet, verder brengt, energie geeft, enzovoort. Ken Robinson schreef over ‘in je element zijn’ wat betekent dat je floreert als je doet wat je goed kan, én waar je blij van wordt. Dat hoeft niet altijd samen te vallen, je kunt aardig goed zijn in dingen waar je weinig energie van krijgt. Ik ben bijvoorbeeld gaan werken in de geo-informatiekunde omdat ik in mijn droomvakgebied, natuur- en milieueducatie, geen betaald werk kon vinden. Dat ging best goed, maar ik heb ook ervaren dat je soms zelfs onder je kunnen gaat presteren als je geen energie krijgt van wat je doet. Een collega verwoordde het laatst heel mooi: “Dan val je jezelf en anderen tegen en ga je aan jezelf twijfelen.” Ik merkte dat eigenlijk pas echt achteraf, toen ik ander werk ging doen. Bij het opzetten van de nieuwe opleiding Human Technology kwam ik steeds meer ‘in mijn kracht’, zoals dat in niet zo mooi Nederlands heet, en nu ben ik gepromoveerd in de onderwijskunde en krijg ik veel energie van mijn huidige onderzoek met studenten en docenten. Dat voelt heel goed, ik ben weer in mijn element.

Bij het stukje ‘is goed’ en ‘excellentie’ heb ik wel vragen. Excellentie roept bij mij iets op van extra goed werk moeten leveren, er bovenuit moeten steken. En stress. Waarom niet gewoon ‘goed genoeg’? Het heet ook ‘goed werk’, niet ‘excellent werk’. Misschien is excellentie wel niet het juiste woord, het zou voor mij meer moeten gaan over het optimaal inzetten van je talenten, wél zo goed mogelijk maar niet perfect of foutloos of met gegarandeerd goed resultaat. Zoals ze vroeger in de cursussen van Landmark zeiden: be 100% committed, but don’t be attached to the result. Dat heeft mij trouwens wel wat tijd gekost om te begrijpen dat je ergens je uiterste best voor kunt doen en er tegelijk goed mee kunt omgaan als je dan toch niet het gewenste resultaat bereikt. Het kan natuurlijk wel zo zijn, dat je boven jezelf uitstijgt als je werk doet dat goed voelt en goed doet.

Vaak ben ik in mijn werk vooral bezig met het gedeelte ‘is goed’ van het goede werk. Natuurlijk sta ik ook wel stil bij ‘doet mijn werk goed’ – wie wordt er beter van mijn werk, wordt de wereld er beter van – maar al minder. En het laatste, ‘voelt het werk goed’, die vraag stel ik me denk ik nog te weinig. En waarom?

gorillaErgens zit er een stemmetje in mij dat zegt: “dat hoort bij een ‘dikke ik’ (zie Harry Kunneman), is niet wenselijk en niet relevant, het leven hoeft niet altijd leuk te zijn, als het fijn is om te doen dan is dat mooi meegenomen maar het gaat erom dat je je best doet en bijdraagt aan het grotere geheel (of om überhaupt betaald werk te hebben). Als je iedereen alleen zou laten doen wat hen zelf goed doet zou er veel nuttig werk helemaal niet gebeuren.” Over aannames en waarden gesproken.

Maar zoals wel vaker het geval is (eigenlijk heel vaak de laatste tijd in de dingen waar ik mee bezig ben) lijkt het mij dat om ‘goed werk’ te kunnen doen de combinatie van en de balans tussen de drie belangrijk is, dus dat goed zijn, goed doen en goed voelen van het werk voldoende met elkaar in evenwicht zijn. Ik denk dat we dat onze studenten ook moeten meegeven. We beoordelen hun werk meestal in termen van ‘is goed’ (of niet) in de zin van wel of niet voldoen aan de leeruitkomsten. Ik denk dat we meer gesprekken met hen zouden kunnen voeren over ‘doet goed’ en ‘voelt goed’ – of misschien beter: geeft energie. Want werk hoeft natuurlijk niet altijd makkelijk of leuk te zijn om toch ‘goed te voelen’ of om als zinvol of vervullend te worden ervaren. Dus een ‘dikke ik’ worden is misschien niet zo nodig, maar je bewust zijn van wat je energie geeft en waar je echt tot je recht komt en echt een bijdrage kunt leveren is denk ik onmisbaar in een complexe en snel veranderende wereld. En dat geldt natuurlijk niet alleen voor onze studenten…

Foto gorilla: ben stern on Unsplash

Wat is een innovatieve professional?

Bij de Hanzehogeschool kunnen studenten zich op allerlei manieren ontwikkelen op het gebied van creativiteit, innovatie, transitie. Er zijn minoren in de bacheloropleidingen, onderwijseenheden in masteropleidingen, innovatiewerkplaatsen en ‘change agencies’ waarbinnen deze begrippen centraal staan. Ik doe samen met collega’s onderzoek naar de ontwikkeling van studenten (en ook docenten en andere professionals) tot innovatieve professionals.

Mijn eerste reflex als ik zoiets onderzoek is: kijk naar het beroepsprofiel van zo’n ‘innovatieprofessional’, beschrijf de bijbehorende competenties en bedenk hoe je mensen via interventies (of onderwijsactiviteiten) die competenties kunt laten verwerven. Maar er schuurde iets.

Ten eerste zijn er geen eensluidende definities van ‘innovatie’, ‘transitie’, ‘change agent’ en meer van dat soort termen, er zijn veel competentieprofielen op veel verschillende niveaus. Ten tweede is innovatief zijn geen beroep, het is een soort capaciteit die veel van onze afgestudeerden nodig zullen hebben in de snel veranderende wereld waarin ze gaan werken.

Maar ook het idee dat je een professional kunt ‘vatten’ in een rijtje competenties bevalt me niet meer zo goed. Zeker bij innovatie- en transitieprocessen spelen dingen een rol die je niet zo goed als vaardigheid of competentie kunt beschrijven. Het gaat om dingen aanvoelen, vertrouwen hebben en kunnen creëren, zelfvertrouwen en veerkracht, om er maar een paar te noemen. Wat die professionals nodig hebben is eerder een soort van wijsheid dan een vaardigheid. Het heeft met de hele persoon te maken, met hoe je in het leven staat. Ik kan het niet zo goed in woorden vangen.

Nu hoor ik mezelf en anderen denken: dat kun je dan toch ook als leeruitkomst of competentie definiëren en toetsen? En dan denk ik: ja en nee. Ik denk dat Manon Ruijters en Gerritjan van Luin het mooi verwoorden in hun artikel Beroepsstandaard en professionele identiteit (2015) als ze beschrijven waarom competentieprofielen in organisaties niet goed werken: het zijn standaarden voor een collectief (bijvoorbeeld ‘de leraar’) terwijl werkende professionals unieke individuen zijn met een unieke persoonlijkheid, een eigen professionele identiteit (PI). Juist de verbinding tussen tussen de collectieve norm (het profiel) en het persoonlijke (de PI) geeft het profiel betekenis in de praktijk. Je kunt PI zien als de verbinding die je maakt tussen wie je bent, wat je doet en waar je werkt. Zie hieronder het model van Manon Ruijters.

model professionele identiteit ruijters e-a 2015

Dat bracht ons op het idee dat we misschien beter met de PI konden gaan werken dan met een competentieprofiel. Of met de PI als aanvulling op een competentieprofiel. Dat loste meteen ook het probleem op van de verschillende definities en profielen die er zijn van innovatieprofessionals, change agents en soortgelijke … ja wat eigenlijk? Geen beroepen. Misschien is innovatief zijn wel een rol die een beroepsbeoefenaar speelt. Of een capaciteit (op de een of andere manier klinkt het Engelse woord ‘capacity’ beter in dit verband). Of een manier van in het beroep staan. En wat is een beroep nog in tijden van snelle veranderingen?

Anyway, we hebben inmiddels bij twee groepen studenten, bachelor en master, gewerkt met het PI-model in relatie tot een profiel. Bij de bachelorstudenten van de minor ‘Da Vinci’ was dat het profiel van de ‘innovatieprofessional’, bij de masterstudenten van het Futures Literacy Intensive Programme het profiel van de ‘Futures Literate professional’. En het lijkt erop dat het werken met het PI-model iets wezenlijks toevoegt voor deze studenten. Wat dat precies is, kunnen we beter verwoorden als we de interviews hebben uitgewerkt. Daarover een volgende keer meer.

Aannames….

Ik kom het steeds weer tegen in publicaties: als je echt innovatief wilt zijn moet je je eigen aannames opzij zetten. Op die manier stel je je open voor nieuwe mogelijkheden. Maar ik ben me vaak helemaal niet bewust van mijn eigen aannames, dus dan wordt het ook lastig om ze te negeren. Hoe kun je onbewuste aannames of veronderstellingen bewust maken?

Eén van de manieren is een ander land bezoeken. Dat ondervond ik toen ik laatst voor een congres en een bezoek aan een hogeschool naar Finland afreisde. Hier zijn een paar aannames die niet bleken te kloppen.

  1. Treinen rijden op tijd, hebben een frequentie van een half uur of een uur en als ze komen kun je erin stappen. Niet dus, de automaat gaf geen kaartje af en doordat er geen uitleg bij de foutmelding kwam duurde het een tijdje voordat we er achter kwamen dat de gewone plaatsen volgeboekt waren. De automaat bleek wel kaartjes te geven voor de restauratiewagon als je drie euro extra betaalde. En 3 van de 4 treinen die ik had uitgezocht hadden meer dan 45 minuten vertraging en de frequentie was in het ene geval één per uur, in het andere gingen er maar 4 per dag.
  2. Bussen rijden ook op zondag. Bleek niet het geval te zijn in Rovaniemi, een toeristenplaatsje op de poolcirkel. Maar gelukkig reden er wel taxi’s.
  3. In een skigebied met 10 afdalingen heb je een plattegrond nodig van de afdalingen. Niet nodig, er waren maar 2 afdalingen open. Beetje saai, maar toch leuk om even op de ski’s te hebben gestaan.
  4. Finnen zijn stug. Ook dat was helemaal niet het geval, ze waren hartelijk en ik voelde me erg welkom. Een mevrouw met een hondje waarschuwde me dat het glad was (ik wilde gaan fietsen op een ijzige weg), alle docenten en studenten die ik tegen kwam wilden graag vertellen waar ze mee bezig waren en ik werd getrakteerd op lunches en etentjes. Bij het congres begon elke dag met live muziek, dat maakte de donkere dagen (4 uur daglicht eind november) ineens heel licht.

En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Het gekke is wel, dat als je je eenmaal bewust wordt van al die aannames, je er steeds meer gaat zien. Zoals in het vliegtuig op de terugreis, 8 uur ’s ochtends, toen de stewardess met het drankenkarretje kwam. Daar kwamen niet de verwachte koffie en de sapjes uit, maar een flesje lekkere champagne omdat Finland op die dag, 6 december, 100 jaar onafhankelijk was. En omdat het ook mijn verjaardag was heb ik het er maar van genomen.