Een jaar geleden was ik er nog fel op tegen als iemand het had over ‘hbo-onderzoek’. Ik vond die term een beetje onzinnig omdat er mijns inziens geen onderscheid moet of kan worden gemaakt tussen hbo- of universitair onderzoek. Op het hbo doen we wetenschappelijk onderzoek, net als op de universiteit. Het enige wat ons als hbo onderscheidt is dat we ons beperken tot, of misschien beter, toeleggen op praktijkgericht onderzoek, onderzoek met een onderzoeksvraag uit de praktijk en waarvan de resultaten bruikbaar (kunnen) zijn voor die praktijk. Universiteiten doen fundamenteel onderzoek én praktijkgericht onderzoek.
Maar nu begin ik te twijfelen, misschien is hbo-onderzoek toch wel een bruikbare term. Dat komt door twee dingen. Het eerste is dat ik met een vijftal collega’s van andere hogescholen en de VU een leergang ‘Action Research (ActieOnderzoek, AO) meets Design Research (Ontwerpgericht Onderzoek, OO)’ aan het ontwikkelen ben. Het tweede is een opmerking van een collega-onderzoeker van de Wageningen Universiteit, waar ik mijn promotieonderzoek heb gedaan.
Eerst de leergang AO-OO, zoals we hem in de wandelgangen noemen. We zijn met 3 actieonderzoekers en 3 ontwerponderzoekers aan de slag gegaan. We zijn gaan ‘boundary crossen’: we hebben ontdekt wat er eigen is aan AO en wat aan OO, wat er gemeenschappelijk aan is en wat ze van elkaar kunnen leren. De gemene deler blijkt (onder andere) het ‘derde proces’ te zijn. Elk praktijkgericht onderzoek heeft te maken met twee ‘stromen’ of processen: de theorie- of kennisstroom en de praktijkstroom (zie bijv. Andriessen 2011 in Handboek ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek, Hoofdstuk 5). Maar wat telkens weer terugkomt is het belang van het verbinden van de kennis- naar de praktijkstroom en vice versa. Dat verbinden en afstemmen is heel belangrijk, en zou daarom gezien moeten worden als een apart proces, de concept-stroom. Het ontwerpen in ontwerpgericht onderzoek zit daar bijvoorbeeld, het bedenken van interventies of manieren van observeren in actieonderzoek zit daar ook, steeds is er het zoeken naar de match tussen theorie en de context van de praktijk.
Ook het bepalen van methoden van dataverzamelen en analyseren zit in de concept-stroom. Daan Andriessen zei onlangs bij de boekpresentatie van Arthur Bakker (“Design Research in Education”) dat hij altijd had gedacht dat de methode logisch moet volgen uit de onderzoeksvraag, maar dat bij praktijkgericht onderzoek de methode ook erg afhangt van de mensen met wie wordt samengewerkt in de praktijk, en de context waarin zij werken. Dat is nogal een uitspraak in wetenschapsland, en veel wetenschappers zullen het er misschien niet mee eens zijn. Het punt dat ik hier wil maken is dat de manier waarop je grondig en relevant praktijkgericht onderzoek doet, nog volop in ontwikkeling is, en dat het hbo daar een prominente rol in kan en wat mij betreft ook moet spelen.
Ten tweede zette de genoemde Wageningse collega-onderzoeker me verder aan het denken. Hij zei iets in de trant van: “Het is zo jammer dat je, om te kunnen publiceren de wetenschappelijke journals altijd één specifieke aanpak moet kiezen, óf actieonderzoek, óf ontwerpgericht onderzoek, óf een andere min of meer geaccepteerde vorm van onderzoek.” Dus als je bij praktijkgericht onderzoek verschillende aanpakken gaat combineren (bijv. uit AO en uit OO) is het waarschijnlijk (nu nog?) minder goed te publiceren in wetenschappelijke journals. Dat is voor de universiteiten, die afgerekend worden op aantallen wetenschappelijke publicaties, heel vervelend. Voor het hbo is het iets minder erg, omdat het praktijkgericht onderzoek ook wordt afgerekend op relevantie voor en doorwerking in de praktijk.
Het gaat nog verder. Om goed publiceerbaar te zijn in wetenschappelijke journals, moet je onderzoek liefst meerdere casussen omvatten, generaliseerbaar en herhaalbaar zijn en in gecontroleerde omstandigheden zijn uitgevoerd (in de ‘high ground’ van Schön, zie kader). En dat zijn nou net allemaal dingen die niet passen en niet wenselijk of zinnig zijn bij praktijkgericht onderzoek. Dat is vaak handelingsonderzoek, waarbij het juist vaak gaat om één casus, één context. Je wilt als onderzoeker de resultaten wel transfereerbaar maken, maar letterlijk herhaalbaar en generaliseerbaar zijn ze zelden. 
Ook de omstandigheden zijn vaak ‘messy’, er is veel ruis, relaties en macht spelen een rol, de context verandert terwijl (of juist doordat) je er onderzoek doet (‘the swamp’ van Schön).
Toch zullen de journals er niet omheen kunnen ook praktijkgericht onderzoek te publiceren. Tegelijk is er nog veel werk te verzetten om dit onderzoek naast praktisch relevant ook methodisch grondiger (en dus ook ethisch verantwoord) te maken. Het ‘boundary crossen’ tussen actieonderzoek en ontwerpgericht onderzoek helpt daarbij én maakt duidelijk dat er nog veel meer inspirerende mogelijkheden zijn. Een mooie uitdaging voor het hbo om die te ontdekken. Maar of dat nou die term hbo-onderzoek rechtvaardigt? Ik denk het eigenlijk nog steeds niet.
Foto: Tripadvisor